Ondine (Debussy)

Henk Mak van Dijk

Ondine en YouTube

Als u Ondine gaat spelen, krijgt u onmiddellijk te maken met de wereld van het water en zijn bewoners. Omdat ik deze prelude in de zomer van 2012 op Java speelde, gebruikte ik bij mijn toelichting de legende van de godin van de Zuidzee, een toepasselijk verhaal over een Javaanse prinses met de naam Loro Kidul die ooit een verhouding had met de eerste sultan van Yogyakarta. Na haar sterven ging zij heersen over de Indische oceaan. Nu nog wordt beweerd dat zij mannen in het groen gekleed als slachtoffer uitkiest. Zij sleurt ze de diepte van de zee in en troont ze mee naar haar onderwater paleis, bestaande uit de beenderen van al hun voorgangers. Loro Kidul wordt vaak als zeemeermin afgebeeld.
Een dergelijk verhaal is voor mij de sleutel tot deze Ondine: een verleidelijke zeemeermin, die met groot vertoon uit het water kan komen, en dan slaat met haar staart dat de spetters er vanaf vliegen. Zij kan zeer gevaarlijk zijn door je mee het water in te trekken. Wellicht koestert zij ook de wens mens te willen worden en komt zij daarom van tijd tot tijd aan de oppervlakte om een man te smeken om haar mee te nemen, het vaste land op. Na elke mislukte poging lijkt zij weer trots weg te zwemmen. Overigens staan ons andere beroemde verhalen over waterwezens tot onze beschikking die onze verbeelding kunnen prikkelen, zoals de over de Lorelei of Rusalka. Debussy liet zich inspireren door Undine van de schrijver Friedrich de la Motte Fouque.
Ik zelf plaats Ondine in deze prelude zowel boven als onder water, gekoppeld aan de begrippen donker en licht. Deze tweedeling komt bijvoorbeeld direct van pas in de pp en mf gedeelten bij de opening, maar bijvoorbeeld ook bij het verleidelijke lichte scintillant in 11, het betoverende en magische Rubato van 44 (rimpeling en smeekbede), het donkere Mouvement van 54 (dreiging) en de ‘trotse Ondine’ maten vanaf 65.

Beluisterde pianisten: Robert Casadesus (beeld), Monique Haas, Walter Gieseking, Hans Henkemans, Sviatoslav Richter, Samson François, Jorge Bolet, Spencer Myer (beeld) en Khatia Buniatishvili (beeld).

Robert Casadesus: In deze (live-) opname (ergens in de jaren vijftig?) lijkt Robert Casadesus een Ondine uit te voeren in een recital voor televisie. Het jaar waarin is mij onbekend. Gezien zijn reputatie (hij was een favoriet van Ravel) valt deze ‘geroutineerde’ uitvoering wat tegen; het ontbreekt aan precisie, raffinement en echte inspiratie. Het scherzando in de eerste maten lijkt niet geheel op spanning. Daarna zijn er meteen al wat slordigheden. In 4 missen we het crescendo en 5 komt er net niet netjes uit.Net als Richter eet hij de rusten in 7 op. Inspiratie missen ook de maten 8 en 9 die wel heel precies hetzelfde klinken. En waar zijn de diminuendo’s in de octaven? Zelfs het Retenue daarna is er nauwelijks, net zo min als het zachter worden in 10. In 11 wordt het motiefje es-fis-es gewoontjes gespeeld en is de vijfde tel te snel getimed.
Wat we nog niet eerder gehoord hebben, is het in één pedaal spelen van de maten14 en 15, wat een fraai resultaat geeft. Briljant klinkt het au Mouvement vanaf 16. In 19 komen de repeterende noten in de laatste vier zestienden net niet gaaf uit. Bepaald léger is de volgende passage niet, deze klinkt zelfs op het agressieve af. Haast kenmerkt ook de maten 24 en 25 en het ritenuto wordt niet gemaakt.
De boogjes in 32 krijgen pedaal mee, en de repeterende noten flonkeren mooi. Helaas speelt de sprong Casadesus parten 37, waardoor het hoge nootje f net niet voldoende aanspreekt. Een duidelijke lijn is te horen in 38 en 39 in de linkerhand. De duim kleurt hier de octaven. In 42 zien we een pianist met aandacht voor de noten, maar kan hij aan zo’n (simpele) passage wel echt emotionele inhoud geven? Horen we hier namelijk niet een Ondine die je verlokt om met haar mee te gaan naar haar geheimzinnige onderwaterwereld? Zien wij dat en horen wij dat in zijn spel?
Ook vanaf 44 missen we iets speciaals in het Rubato. De pianist speelt steeds vlot door, en mist daardoor doucement marqué, de tenuto noot a in 44, en het pp in 51.
De sekunden g-a vanaf 54 speelt Casadesus met de linkerhand. Ik vermoed dat Haas en Henkemans deze met rechts spelen zodat die ritmisch sterker kunnen uitkomen. De pp passages in 56 en 60 klinken door de gekozen aanslag van boven af vrij fors. Het subito pp in 60 wil hij zorgvuldig neerzetten, maar het gaat ten koste van het motiefje es-fis-es dat niet uit de verf komt. Helaas zijn de golven na 65 wat geroutineerd uitgespeeld, versterkt door twee keer dezelfde handbeweging op het akkoord op de eerste tel in 66 en 68. Ook de golven erna vanaf 69 klinken niet speciaal genoeg (licht bijvoorbeeld in 69-71 noten uit als de ais links en a rechts).

Monique Haas nam haar verzorgd gespeelde Ondine op in 1963. Zij deed het veel beter dan haar leermeester Casadesus, en ook beter dan Richter en Myer. Wat zij missen, heeft zij wel. Haar opening is veel rustiger dan die van de heren, met een aangename timing. Zij is voldoende fel in het mf van 4,5 en 6. Toch is ook in maat 8 en 9 weinig verschil in opbouw. Fraai is het Retenu met zijn subtiel herhaalde dis (10). Spetterend is Ondine bij 11 en verder. Ook hier een echo in 13. In 15 werkt haar diminuendo in de octaven zeer goed. Vlot wordt doorgespeeld in het au Mouvement, vanaf 16, met enig diminuendo in 17. Het à l’aise krijgt een bepaalde jachtigheid mee, om pas bij 23 wat meer te ontspannen. In 24 vallen bijzondere kleuringen op van de akkoorden in de eerste en vierde tel. Ik vermoed dat ze vooral in het eerste akkoord vooral de dis en de d tegenover elkaar zet en iets soortgelijks in het akkoord op de vierde tel door in het bijzonder de d en de daaropvolgende c te benadrukken. Vrij droog zijn de maten 26 en 27. Ook Haas gaat voorbij aan het tenuto nootje in 28. In het Mouvement op 32 gebruikt ze net als Myer pedaal; haar tempo is wat rustiger dan gebruikelijk zonder dat de sfeer aan kracht inboet. Subtiel is haar diminuendo eind 37.
Het Rubato vanaf 44 is mooi van opbouw; zij kiest voor een onrustig tempo. De ontstane sfeer is daardoor wat gewoner dan het rubato ‘met weerstand’ van Richter. In het Mouvement in 54-58 vallen vooral de sekunden g-a op die herhaald benadrukt worden. Het pp van 60 komt goed uit de verf, maar het magische van de maten pp mis ik ook hier. Wel een echte stilte op de rust van 64 en een mooie onrustige triool naar de lage a toe in 65. Briljant gespeelde arpeggio’s met zorgvuldig gekozen dynamiek besluiten deze Ondine. Het dakje met tenuto streep op het tweede akkoord van 72 krijgt ook bij Haas geen bijzondere aandacht.

De ruis van de 78 toerenplaat moeten we maar wegdenken bij het beluisteren van Ondine van Walter Gieseking. Hij speelt geraffineerd en realiseert veel van wat Debussy noteert. Verder valt op dat hij zeer in de maat speelt. Naar mijn smaak is dat geen voordeel en gaat dat in de maat ten koste van inspiratie. Een dwingende maat past niet bij het wezen van Ondine. Of moest hij misschien bij de opname onder de drie minuten blijven?
In het Scherzando is er weinig kleurverschil in de maten 1 en 2. Het tweede tenuto meer kleur geven zou ten koste van de maat kunnen gaan en dat doet Gieseking niet. Prettig is wel dat hij een van de weinigen is die maat 7 nu eens goed uittellen! Maat 8 en 9 komen eenvormig over, niet alleen door dezelfde sterkte, maar ook door het dwingende ritme. De diminuendo’s in die maten zijn afwezig.
In het scintillant valt vooral de herhaling op van de lage a. Dat is eveneens het gevolg van in de maat spelen. Het gaat wel ten koste van een spetterende Ondine. Zachter wordt Gieseking van 15 naar 16, maar niet in 16, jammer. Daarna wordt vlot doorgespeeld naar het à l’aise. Mooi expressief zijn 20 en 21 en ook het piano daarna in 22 is te horen. In de passage 21 tot 25 willen nog wel eens bassen verdwijnen (of niet voldoende hoorbaar zijn). Men zei gewaarschuwd!
Het Mouvement vanaf 32 heeft prachtige bassen, mooi getimed en gearticuleerd en in het goede tempo. Ook bij Gieseking spelen de repeterende noten hem even parten: een van de noten b in 34 sneuvelt. In de maten 38 en 39 missen we pp en zachter worden, misschien wel onmogelijk door het snelle tempo. Het Rubato is mooi van toon, naar mijn smaak iets strak in de maat. In 50 wordt het vaak vergeten crescendo gespeeld. Het Mouvement blijft wat gedempt, maar werkt wel juist door het nu wel op zijn plaats zijnde dwingende ritme. Helaas zijn de volgende maten 62 en 63 daardoor niet verrassend, eenvormig zelfs. Vanaf 65 krijgen we te maken met hetzelfde patroon van strak in de maat spelen. Het werkt niet inspirerend! In 72 horen we eindelijk eens een fraai accent op het slotakkoord.

De Nederlandse pianist Hans Henkemans nam een verrassende Ondine op in 1952. Omdat hij meer dan anderen doet wat er staat, en dat combineert met een energieke manier van spelen, valt er veel te genieten. We voelen hoe Ondine in deze uitvoering tot leven komt. Zijn Scherzando is echt een scherzando, en je voelt hoe Ondine door de felheid van de mf triolen in 4, 5 en 6 opeens boven water komt, bijna uit het water springt. Voor het eerst is er een verschil aangebracht tussen de maten 8 en 9, bravo! Jammer is het vreemd vorm gegeven ritme van het scintillant, het klopt domweg niet. De ‘droogte’ vanaf 11, zonder pedaal, werkt naar mijn smaak niet, temeer daar de belangrijke bas a steevast verloren gaat. In 14 horen we een energiek gespeelde briljante golf, en in 15 het mooiste diminuendo tot nu toe. Het Mouvement is zeer snel van opzet en daarna eindelijk eens een behoorlijk diminuendo op 17! Ook in 18 en 19 volgt Henkemans uitstekend de borden met tweemaal de dynamiek piano.
Het à l’aise heeft een mooi mf en dehors, en ook het weinig voorkomende piano in 22 is er. Wat ook bevalt, is het Retenu vlak voor 26. En ja, ook weer een te waarderen zachter worden in maat 27. Vanaf 32 kiest Henkemans niet voor pedaal; hij lijkt zichzelf te willen inhalen door de repetitie van de noten in 34. Ook 36 en 37 zijn mooier door anderen gespeeld. De crescendi van 40 en 41 zijn fel en geven energie aan het geheel.
Nog niet eerder hebben we pedaal gehoord in de passage 42 en 43, maar Henkemans gebruikt het! In het Rubato weet hij eveneens de aandacht te trekken met een fraai mormorando. Zeer bijzonder vind ik de vormgeving van maat 50, waarin energie geleverd wordt in de bas voor het crescendo op het eind van de maat. Zo zou ik het ook willen spelen. Energiek is zijn Mouvement vanaf 54-61. Net als Haas benadrukt hij de sekunde g-a. Jammer weer is de ongelukkige weergave van het ritme in 62 en 63. Gelukkig neemt hij stilte in 64 en daarna volgen briljant gespeelde arpeggio’s met een fel crescendo, gevolg door een laat getimed pp akkoord. Zo hebben we het nog niet gehoord en het pakt goed uit. De lage d in 71 komt ook al zo mooi laat in, gevolg door een laatste energieke zwiep naar boven en een kleine veeg voor het slotakkoord.

Sviatoslav Richter speelde een slordige Ondine in Boedapest in 1967. Slordig is hij, al meteen in het begin: zijn pp is niet bepaald subtiel, in de tweede 9/8 maat mist hij de laatste drie tellen en in maat 7 de rust van drie tellen! Maten 8 en 9 worden precies hetzelfde gespeeld en het rustje in 10 doet niet mee. Het geheel mist inspiratie. Datzelfde geldt voor de opening vanaf 11, op het onverschillige af. Ook Richter kiest voor een echo in 13 en mist daardoor zijn basnoot a. Het tenuto nootje in 13 wordt minder fraai neergezet dan Myer dat doet. Ook maat 15 klinkt niet subtiel door dezelfde sterkte op het tweede octaaf e ten opzicht van het eerste. Het diminuendo in 17 wordt wel vaker vergeten en ook Richter doet dat. De laatste vier noten van 19 worden snel genomen waardoor de laatste hoge noot wel in het gedrang komt. Die zou meer kunnen flonkeren.
De volgende maten in à l’aise klinken expressief, maar het piano in maat 22 zou beter gerealiseerd kunnen worden. Weer wordt het diminuendo vergeten in het figuur op 26, 27. Subtiel is het tenuto nootje es in 28. Richter merkt het niet op. Mooi van timing is het Retenu in 30 en 31. In tegenstelling tot Myer speelt Richter de bas vanaf 32 ‘droog’. Dat de repeterende noten niet eenvoudig zijn, bewijst het bijna verdwijnen van de tenuto noot b in 34. Dat overkwam hem bij de herhaling in 36 natuurlijk geen tweede keer! De sprong in 37 lukt, maar heeft effect op de bas die enigszins wankelt.
Het Rubato speelt Richter sfeervol; hij slaagt erin een zekere moedeloosheid op te roepen die mij aanspreekt. Dat doet hij door de melodie met enige weerstand neer te zetten. In 47 speelt de pianist wel een diminuendo; er is geen spoor van de onrust die Myer aan deze maat geeft. Het crescendo in 50 en het daaropvolgende pp krijgen minder betekenis. De dreiging vanaf 54 wordt weer ‘droog’ gespeeld, zonder al te veel pedaal (of zonder?) pedaal. De hele passage tot 62 wordt ‘slank’ opgebouwd. Opvallend zijn de staccato gespeelde octaven es in 58 en 59, die eigenlijk tenuto genoteerd staan. Het subito pp valt dan wat tegen, zelf zoek ik meer betekenis in die maat. Ook pleit ik voor stilte in de rusten in 64. Richter speelt ze in pedaal. Helaas komen de slotmaten vanaf 65 wat flets over. Lastig te realiseren is het piano in 65 en 67 tegenover het pp in 69. Het dakje in 72 krijgt weinig felheid mee.

Het is duidelijk dat sommige pianisten subtieler spelen dan anderen. Samson François weet ons steeds weer met geweldig genuanceerd spel te verrassen, ook in zijn Ondine (opname 1969-70). Helaas klinken zijn mooi gespeelde Mouvement passages weinig vitaal, waardoor Ondine toch enigszins vermoeid overkomt. Bolet heeft hetzelfde. Zou leeftijd er mee te maken hebben?
In de eerste maat een mooie tenuto, en daarna een subtiel zachter worden om in maat 2 de tweede tel wat duidelijker te spelen naar het nieuwe tenuto interval. Een dergelijke opbouw trekt onmiddellijk de aandacht. De eerste basnoot in 3 komt er dan weer wat luid uit, ondanks het voorgeschreven pp, maar dekt wel mooi de stijgende lijn van de akkoorden. Niet zoals Henkemans een fel, contrastrijk mf, maar een mf in het verlengde van het voorafgaande pp. Maat 6 krijgt daardoor niet zijn forte hoogtepunt. Wederom stevig baswerk, de kwint, in 8 en dat heeft een reden. Dan kan maat 9 namelijk weer milder klinken. Ook heerlijk is het diminuendo van de octaven in 8 en 9. Ja, zo hoor ik het graag. In 9 zet dat diminuendo zelfs door in een wat langer aangehouden pedaal, compleet met een mooie verbinding met rust naar het Retenu.
Het scintillant blijft lastig te realiseren. Is deze opening spetterend genoeg? Het lijkt te weinig au Mouvement en de echo in 12 is niet overtuigend. In het motief es-fis-es wordt de eerste es bijna staccato gespeeld en ook het crescendo in datzelfde motief krijgt geen vorm. De gebruikelijke echo in 13 wordt wat meer portato gespeeld, een nieuw geluid. Maar werkt het ook? In het Rubato mist in 14 de hoge noot e, waarschijnlijk omdat François zich concentreert op de baslijn. Origineel is zijn aanpak van 15: eerst de bas kleuren en daarna intensiever en luider de octaven in de tweede helft, overigens in tegenstelling met het voorgeschreven zachter worden. In het au Mouvement vanaf 17 lijken twee versies te bestaan. Of men gaat er flink vandoor, of men kiest een wat melodischer aanpak. François kiest duidelijk voor het laatste, gebed in klankschoonheid. Zijn gekozen tempo zet hij door in het à l’aise dat hier zeer op zijn plaats is. De balans tussen links en rechts is niet helemaal wat je van hem zou verwachten. Rechts lijkt domweg wat te sterk en te expressief gespeeld. Léger is voorgeschreven. Ook missen we weer eens het piano in 22.
Ook in maat 32 komt het Mouvement (te) moeizaam op gang. Zonder pedaal zijn de noten b-e duidelijk hoorbaar. Dat is echter niet vol te houden door de liggende akkoorden van 34 en verder. Met het gekozen tempo lijkt helaas de vitaliteit van Ondine verdwenen. In 40 en 41 is er sprake van een nog niet eerder gehoord vraag en antwoord door de noot b op de laatste tel van 41 net wat in te houden. Subtiel!
Het mormorando begint fraai, maar toch mist het interessante diminuendo in 47. Ook de laatste tenuto a in 47 kan helderder klinken. Omdat hij dat niet doet, krijgt ook het daaropvolgende pp weinig vorm. In maat 50 bevredigt het niet vaak gerealiseerde crescendo. François kleurt vanaf 51 mooi op de kwinten in de linkerhand. Het Mouvement vanaf 54 leidt aan hetzelfde euvel: er is te weinig beweging! In 60 en 61 lijkt Ondine zich zelfs uit de modder te moeten zuigen. De spanning in het volgende pp raakt daardoor ook zoek ondanks de fraai gespeelde maten in 62 -64. De ‘golven’ in het coda klinken eveneens mooi. In 71 intensiveert hij op het crescendo en speelt in pedaal verder.

Jorge Bolet zette in 1989 een fraaie melodisch vorm gegeven maar ook een bedachtzame Ondine neer, die ten koste gaat van de beweeglijkheid en vitaliteit van het stuk. Zijn Scherzando klinkt bijna filosofisch en zijn mf triolen missen een bepaalde brille. Speelt hier wellicht een oude man? De maten 8 en 9 missen eveneens virtuositeit ten faveur van melodische vormgeving. Bij het scintillant gebeurt hetzelfde, en spetterend is het daardoor niet. Het diminuendo van 15 wat bij Haas zo trof, horen we niet. Het au Mouvement, hoewel mooi van melodie en mooi uitgespeeld, klinkt wat vermoeid. Bijzonder is het en dehors in maat 20; zo expressief hebben we het niet eerder gehoord! Het tempo lijkt ook zeer passend voor deze passage. Het diminuendo in 21 wordt mooi vorm gegeven en het piano in 22 klinkt goed door een late timing van het eerste akkoord. Ook de akkoorden erna zijn bijzonder van kleur, waarschijnlijk door een uitgekiende combinatie van links met dissonerende noten in de rechterhand. De geweldige concentratie op deze prachtige lijn heeft helaas wel tot gevolg dat althans voor mijn oren enkele basnoten weggevallen zijn, bijvoorbeeld die van 22 en 23.
In 26 is het Mouvement weer enigszins langzaam gekozen ten gunste van de melodische inhoud; ook het nieuwe scintillant komt niet briljant over, eerder filosofisch. Bolet kiest vanaf 32 ook voor pedaal. Strak getimed is het akkoord op 36, pal na de hoge noot van 35. Het diminuendo in maat 37 is aanwezig. In de maat daarna blijkt het ook voor Bolet lastig pp te spelen, gevolgd door een zachter worden.
In maat 42 horen we mooi uitgespeelde noten in het hoge register en een heldere hoge noot B. Het Rubato is prima, maar geeft geen bijzondere ervaring. Ik miste het crescendo op 50 en het lastig te maken pp daarna. Opvallend in 44 tot 53 zijn de goed uitgespeelde drie tegen twee, waarbij de twee goed hoorbaar is tussen de twee en drie van de triool. Het Mouvement van 54 komt wat moeizaam van start; door het pedaal en het langzamere tempo klinkt de passage niet erg ‘gevaarlijk’. Subtiel zijn de tenuto’s op de tweede helft van 62 en 63. In 64 maakt Bolet geen stilte, maar neemt pedaal, en wil graag (iets te) snel door naar de lage toon a in 65. De arpeggio’s vanaf 65 zijn minder briljant gespeeld dan bijvoorbeeld door Haas. Voor het eerst horen we een markering van het slotakkoord (in 72)!

De pianist Spencer Myer speelde Ondine in 2009 op de Van Cliburn internationale piano wedstrijd. Hoewel gekund en mooi van klank weet hij me niet te overtuigen en lijkt hij de magie van het stuk te missen. Onder zijn handen wordt de vleugel een te concreet instrument. Het eerste Scherzando komt niet pp over en het contrast met het daaropvolgende mf mist (1-7). Wel fraai is het diminuendo in 7. Verfijning mist ook door het ontbreken van de diminuendo’s in de octaven in 8 en 9, een detail dat meer pianisten over het hoofd zien. Herhaling van passages komt in Ondine een aantal keer voor. Hoe worden die vormgegeven? Myer speelt 8 en 9 precies hetzelfde en dat bevredigt niet. Dat doet hij overigens wel in de tweede helft van 13 waar hij een echo laat klinken.
De verleidelijke Ondine lijkt zich te presenteren vanaf 11 in het scintillant. Ik vermoed dat menigeen de betekenis ervan niet opzoekt, maar het gaat hier om schittering geven, vonken, spatten, sprankelen of spetteren. Het figuurtje es-fis-es (in 11 en verder), met boogje, noot met punt, crescendo en het woordje doux erbij vraagt veel aandacht en plaatst pianisten voor moeilijkheden. Myer doet het heel redelijk, hoewel hij van het crescendo weinig werk maakt. De maten 11-14 zijn hoewel netjes in de maat helaas weinig uitdagend. Het geheel vonkt te weinig en daardoor laat zich geen verleidelijk en gevaarlijk waterwezen zien. Mooi uitgelicht is de laatste noot van 14, een tenuto.
In maat 15 horen we zoals voorgeschreven een diminuendo. Helaas is niet waar te nemen of Myer het derde pedaal gebruikt bij de liggende bas van 14, maar deze klinkt zeker door. In 17 zou meer diminuendo op zijn plaats zijn waardoor het piano van 18 en 19 subtieler kan uitkomen. In het à l’aise horen we een mooi doorgetrokken mf melodische lijn (en dehors) van 20 tot 26.Verrassend zou het voorgeschreven piano kunnen werken in 22, maar Myer mist die. In 28 en 29 missen we weer de verleidelijke Ondine door een teveel aan controle van de pianist. In het Mouvement wordt pedaal gebruikt, waardoor de bas (de noten b-es met boog) verbonden wordt. Anderen spelen dit linkerhand figuur droger. Het motief in 34 en 36 met de herhaalde noten wordt al dan niet met dezelfde vingers gerepeteerd. Duidelijk is te zien dat Myer kiest voor vingerwisseling. Lastig zijn de sprongen naar de akkoorden en terug naar de hoge noot in 35 en 36. Zeer economisch spel (snel op en neer via de kortste weg) helpt hier. In maat 38 zou pp mooi werken en het diminuendo zou dan zelfs tot een ppp kunnen gaan. Het is niet wat Myer doet en weer komt hij stevig neer in de maten 40 en 41.
Het volgende gedeelte brengt ons in de wonderlijke wereld van het leven onder water, met diverse aanwijzingen van Debussy: Rubato; mormorando, un peu au-dessous du mouvement. Neemt Myer ons mee in deze betovering? In 44 wel, in 45 minder en daarna nog minder. Ook hier mist hij een zachter worden, namelijk in 47.Van 51 tot 53 is wel een fraaie lijn te horen in de topnoten.
Dreigend wordt Ondine in de maten 61 tot 61. Zou ze boos zijn niet als mens door het leven te kunnen gaan? Door de donkere bassen is het heel lastig deze passage piano te houden. Myer doet dat heel aanvaardbaar. Opeens is er dan maat 62. Daar gooit Ondine het plotseling over een andere boeg, smekend bijna in het pp. Het motiefje es-fis-es is subtiel veranderd, er staat nu een boog over drie noten. Ook het uitdagende scintillant arpeggio is verdwenen. Speelt Myer werkelijk de transformatie die Ondine hier ondergaat? Naar mijn idee niet. De rusten in 64 zijn onheilpellend. Myer neemt ze in pedaal, maar zonder kan ook. Trots zwemt zij weg, lijken de maten vanaf 65 tot het eind te zeggen. Myer zet ze prima neer. Opvallend zijn de diep gespeelde eerste noten a in de rechterhand in 70, 71 en 72, waarmee hij de loopjes kleurt. De rust in 72 wordt in pedaal gespeeld. Een stilte is natuurlijk ook mogelijk. Hoe verwezenlijken we het p zachter naar pp in de slotmaten? Wachten omdat de toon vanzelf afneemt, of een snelle wisseling van het pedaal op73? Het is niet na te gaan of Myer dat doet. Hij houdt 73 wel vrij lang aan.

Van het soepele spel en het verrukkelijke toucher van Khatia Buniatishvili gaat een weldadige betovering uit. Verstilling, droom en meditatie lijken haar sleutels. Iemand op YouTube schreef over haar bijzondere uitvoering dat Miss Kathia Ondine zelf was. Zou het uitmaken dat zij een vrouw is? Direct in de eerste maten worden we gegrepen door haar toucher. Ook de mf passages zijn mooi golvend vormgegeven, alhoewel ze geen contrast vormen met het voorafgaande pp. De maten 8 en 9 zijn geraffineerd gespeeld.
Wat een schitterende nuances in het scintillant. Chapeau! Niemand doet haar deze passage zo na. Late timing naar 16 geeft een weldadige rust in 15. Er lijkt wel een fermate geschreven. Het au Mouvement wordt helder en zeer virtuoos gespeeld. In 18 en 19 spelen de repeterende noten haar even parten, net als bij Casadesus het geval was. Een prachtig gespeeld en geïnspireerd à l’aise volgt. Sterk de aandacht trekt haar laatste tenuto noot es op 28, gevolgd door een minder sterke es op eind 29, 30. De magie van haar spel blijft in het volgende Rubato. Wat een verschil met Casadesus in 42 en 43! De maten 54 tot 61 grijpt ze aan om terecht flink uit te pakken: Ondine dreigt. Opmerkelijk is haar forte bij 62 en 63 in plaats van het voorgeschreven pp. De golven vanaf 65 zijn zeer ‘waterrijk’ gespeeld. Jammer is het ontbreken van de bas in 71. Gewoon vergeten vermoed ik. In het slotakkoord is goed te zien dat ze d-a-d links speelt en de rest met rechts, een ongebruikelijke maar veilige vingerzetting.

Nawoord Ondine
Bij het spelen van Ondine kunnen wij ons laten leiden door verhalen over de Lorelei, Rusalka, Loro Kidul of de Undine van de schrijver Friedrich de la Motte Fouque. Deze verhalen kunnen ons inspireren om Ondine tot leven te wekken. Opvallend is de melodische aanpak van onder meer Bolet en François. De aandacht voor schoonheid aan klank leidt wel tot een langzaam tempo en dat levert van tijd tot tijd een wat vermoeid waterwezen op. De dwingende ritmische aanpak van Gieseking werkt voor mij niet goed. Het geheel wordt domweg te stijf, ondanks al het fraais er omheen. Een geroutineerde of pianistische aanpak zonder voldoende inspiratie zoals die van Myer en Casadesus wekt Ondine eveneens niet tot leven.
Voorts lijken sommige pianisten beter in staat een partituur te lezen dan andere. François volgt de borden in Ondine uitstekend en dat levert zeer genoeglijke momenten op. Anderen zoals Richter zijn slordig en doen te weinig wat genoteerd staat. Een notoir beruchte plek blijkt het scintillant, het moment dat een verleidelijke Ondine zich boven water vertoont. Niemand volgt hier alle aanwijzingen van Debussy! Dan ontbreekt het crescendo, het boogje, het doux, of schort het aan een bijzondere timing. Henkemans speelt zelfs een fout ritme.
Mij bevielen in de selectie de felle en levendige Ondine van Henkemans, de zeer geïnspireerde uitvoering van Buniatishvili en het fraaie spel van Monique Haas.

Speelaanwijzingen voor Ondine: Laat je inspireren door de figuur van Ondine. Ga na hoe gevaarlijk je haar wil laten zijn en hoe verlangend. Het maakt uit in de interpretatie. Zelf hou ik van zowel een gevaarlijke, dreigende als smekende en verlangende Ondine. Denk ook na over de aanslag, hoe waterrijk en soepel wil je het hebben? Maat 1 vertrekt vanuit een tenuto cis. Mooi is een verschil in het kwart interval in 2 ten opzichte van 1. Speel 3 en 4 ‘onder water’, het mf juist ‘boven water’. Vergeet het dwingende crescendo niet. Vooral door een actieve, sterke pink op het eind van 4, 6 en 7. Wat de maat betreft: ‘eet’ geen tellen op in maat twee en vooral niet in maat 7. Bijna niemand speelt 7 in orde! Breng enige verscheidenheid aan tussen 8 en 9, bijvoorbeeld door een minder intensieve kwint in de bas op 9. De diminuendo’s in die maen worden soms vergeten, maar werken goed. Wil je stilte op de eerste tel in 10, de rust?
Het scintillant heeft vele aanwijzingen van de componist. Probeer ze alle uit. Zelf speel ik het beruchte motiefje es fis met rechts, gevolgd door de noot es met linkerduim. Zo ontstaat een mooi crescendo. Soepele beweging is hier op zijn plaats, een rigide ritme werkt niet zo. Op de tweede helft van 13 wordt vaak een diminuendo gespeeld, maar een intensivering kan ook. In 13 kan de gis mooi dragen, samen met de d in de bas. In 15 is het diminuendo op zijn plaats. Toch zijn er pianisten die het vergeten.
Het au Mouvement wordt soms melodisch uitgespeeld, soms in ritmische puls met een felle golfslag. Maak zelf een keuze. De repeterende noten in 18 en 19 geven nog wel eens problemen. Goed opletten dus. Geef extra glans met een actieve pink voor de hoogste noten.
Vanaf 20 hebben we te maken met twee niveaus, het piano léger en het mf en dehors. Zoek zelf een mooie verhouding en een comfortabel tempo. Bedenk dat de dynamiek in 21 bijna tot forte doorgaat. Dan komt in de maat daarna het p expressif weer beter tot zijn recht. In de maten erna willen de basnoten nog wel eens sneuvelen. Snel heen en weer is hier het motto. Zoek in 24 en 25 naar speciale menging tussen links en rechts en licht bepaalde noten uit die mooi met elkaar dissoneren.Vergeet het Retenu niet vanaf 24. Sommigen stomen hier flink door. De laatste a in de bas in 25 werkt als opmaat naar de d van het nieuwe Mouvement. Er wordt meestal werk gemaakt van het laatste tenuto nootje es in 28, vooral als voorbereiding voor de lange es daarna in 29. Het Retenu is langzamer, maar nog niet zo langzaam als het le Double plus lent in 42.
Vanaf 32 werkt een wat droge, gearticuleerde bas goed. Vingerzetting kan erbij helpen, 1-3 bijvoorbeeld. Blijf wel in beweging. De sprongen in 35-37 vereisen snelle actie heen en weer met de korste weg, scherend over de toetsen. Let op de noot f rechts in 37; zo’n nootje wil nog wel eens wegvallen.
In 38 kan de duim links voor een mooie kleur zorgen in de octavenlijn naar beneden. Speel de maten Le double plus lent met grote intensiteit. Twee keer zo langzaam is langzaam! In welke wereld worden we door Ondine getrokken is de vraag die je je hier kunt stellen.
Volg vanaf 44 de aanwijzingen van Debussy: Rubato, mormorando en een langzamere beweging. Breng jezelf in een wonderlijke onder water wereld, en pas je toucher hier op aan. Het diminuendo in 47 wordt vaak niet gespeeld, maar het werkt. De heldere ais erna in 47 krijgt daardoor ook meer kleur. Maat 50 vind ik betekenisvol door het crescendo. Het lijkt een poging van Ondine op het land te komen. Zij moet echter onverbiddelijk weer ‘duiken’. Links kan helpen het sterker worden te realiseren.
Vanaf 54 krijgen we te maken met een gevaarlijke Ondine. De syncopen van 54-56 kunnen rechts dwingender uitgelicht en gespeeld worden dan alleen met de linkerhand. In 56 moet de linkerhand ze wel overnemen. Hoe pp wordt deze passage? Sommigen gaan hier flink te keer. Een climax in 61 leidt tot een laatste smeekbede in het pp subito. Zelfs het motiefje is anders opgeschreven met een boog over drie noten. Dat pp heb ik niet vaak teruggehoord in de uitvoeringen. Een speelde zelfs bijna ff. Zelf hou ik van de rusten in 64, in pedaal spelen is ook mogelijk. Zoek kleur in de loopjes naar boven. Licht bijvoorbeeld de a en de ais uit. Maten 67 en 68 zijn een herhaling van 65 en 66. Wil je ze hetzelfde laten klinken? En maat 70 ten opzichte van 69? Kleur brengen in de arpeggio’s kan door de eerste a in 69 uit te lichten. Ook mooi is een bewustwording van de verbinding cis naar de noot a op de vierde tel. Speel de bas in 71 met aandacht. Stel je bij het crescendo in 71 de vraag hoe driftig of trots ze wegzwemt. Maak rust in 72 en geef vorm aan het dakje op de terts.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s