Adinda (Max Havelaar)

Henk Mak van Dijk

Adinda is Si Oepi

Eduard Douwes Dekker was achttien toen hij samen met zijn vader en broer in Batavia aankwam. Onder borgstelling van zijn vader kon hij dienst nemen als onbezoldigd ambtenaar bij de Rekenkamer. Dat deed hij goed en hij klom al snel op tweede commies. Toch verveelde het baantje hem, en daarbij speelden andere zaken. Het vrolijke leven van jonge mannen in Batavia met zijn dansfeesten, kaartavondjes, biljartspel en maitresses eiste vaak zijn tol. Ook bij Dekker was er sprake van aanhoudend geldgebrek . Op eigen verzoek werd hij overgeplaatst naar Sumatra’s Westkust, overigens een bij het Gouvernement gebruikelijke oplossing voor het verwijderen van lastige klerkjes.
Najaar 1842 vertrok Eduard naar Padang. Hij was toen tweeëntwintig jaar oud en aangesteld als controleur tweede klasse op West-Sumatra. Natal werd zijn basis, een ongunstig gelegen kustplaatsje ten noorden van Padang, waar hij de enige en hoogste gezagdrager werd. Daar ontmoette hij Si Oepi Keteh , een dertienjarig meisje uit Atjeh, in de Max Havelaar een van zijn ‘menigvuldige eerste liefden’genoemd. Het meisje figureert in het boek als luisteraar naar het verhaal van de Japanse steenhouwer, een verhaal dat Dekker heel goed mogelijk zelf aan haar verteld heeft na het lezen ervan in het Tijdschrift voor Nederlands-Indië door auteur W.R. van Hoëvell.
Uit verhalen van zijn tweede vrouw Mimi blijkt dat Si Oepi zijn eerste (inlandse) vrouw is geweest. Zij was een dochtertje van een Atjehs hoofd, eigenaar van een peperaanplant. De relatie gaf enige moeilijkheden: in die tijd was haar leeftijd niet zo’n bezwaar, maar door te kiezen voor een kind van een belangrijk hoofd leek Dekker niet meer boven de partijen te staan, meende het gouvernement. (Zijn eerste vlam uit Nederland was lange tijd Caroline Versteegh; haar vader gaf echter geen toestemming voor een huwelijk en zij bleef onbereikbaarvoor hem). Si Oepi was belangrijk voor Eduard. Hij noemde haar Clio, muze van de geschiedschrijving, de roem en het heldendicht. Ook bewaarde hij een haarlok van haar. Kortom, gedurende zijn verblijf in Natal was Si Oepi zijn njai.
In september 1843 werd hij ontboden bij gouverneur Michiels. Dekker vermoedde een promotie, maar niets was minder waar. Het ging om een steeds hoger oplopend kastekort, en Dekker kreeg een verbod om Padang te verlaten. Zijn traktement werd ingehouden en hij werd begin 1844 geschorst. Si Oepi was met hem meegegaan en zij woonden samen. De periode in Padang werd het begin van een maandenlange geschiedenis van conflicten, armoede en dreigende vervolging. Hij schreef in een rekest aan de GG over deze periode:
‘ den 10en Augustus heb ik mij neergelegd om te sterven, van honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niet gegeten! Een chinees wiens ik eens ene dienst bewezen had, vond mij, en bragt mij eten.’
Hoewel men nog niet dood gaat na drie dagen zonder eten, veronderstelt de biograaf dat Dekkers werkelijkheid destijds erger was dan bijvoorbeeld beschreven in de Max Havelaar.
Pas in september 1844 kwam aan dit grimmige bestaan een eind door een uitspraak van de Raad van Justitie die zich incompetent verkaarde, wat overigens Dekker niet vrijpleitte. Maar aan de schorsing kwam een einde en hem werd een wachtgeld toegekend op het eind van dat jaar. Batavia werd zijn nieuwe woonplaats. Een afscheid van Si Oepi was onvermijdelijk. Hij was toen vierentwintig. Een nieuwe tijd brak aan. Hij leerde Everdine van Wijbergen kennen, met wie hij zich zou gaan verloven (augustus/september 1845)
Dit alles valt te lezen in de onvolprezen biografie over Multatuli van Dik van der Meulen, waarin hij onder meer nagaat hoe de verbanden zijn tussen verhaal en werkelijkheid in het leven van Eduard Douwes Dekker. Slechts een verhaal beschouwt hij echt als fantasie, zeker niet geworteld in het leven van Dekker, en wel het beroemde verhaal van Saïdjah en Adinda.
Ik denk daar ander over, gezien de bovenstaande gegevens van de biograaf zelf. Een jonge man, een zeer harstochtelijke jongen die een meisje van dertien ontmoet met wie hij waarschijnlijk voor het eerst de liefde bedrijft. Een meisje dat hij zijn muze noemde, van wie hij een haarlok bewaarde, aan wie hij verhalen vertelde uit Nederlandse tijdschriften, een meisje dat hem vergezelde naar de grote stad, waar hij een ellendige periode zou doormaken. De thematiek van het doodgaan dringt zich op. Daar in Padang had Dekker zich ‘neergelegd om te sterven’. Of zullen we er met de woorden van Saïdjah van maken: ‘ik weet niet waar ik sterven zal’ . Ik kan niet anders dan concluderen dat ook Adinda geworteld is in de bewogen werkelijkheid van Dekker uit die periode op Sumatra. Adinda is Si Oepi, een Atjehs meisje, kind van een Atjehs hoofd. En ja, er waren er velen zoals zij, zoals we weten van Multatuli. Aan de oppervlakte figureert ze in de Max Havelaar als ‘gedweeë luisterares’, maar in werkelijkheid speelt ze een hoofdrol als Adinda. Een fantastische rol voor Si Oepi, een inlands meisje van dertien.

Bron:
Dik van der Meulen Multatuli; Leven en werk van Eduard Douwes Dekker, Amsterdam: Sun, 2003

Henk Mak van Dijk
Yogya, 14 augustus 2011

 

De weg naar Badur, het dorpje van Saidjah en Adinda

De weg naar Badur, het dorpje van Saidjah en Adinda

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s