The book De oostenwind waait naar het westen

omslag 1

De oostenwind waait naar het westen: Indische componisten en Indische composities, 1890-1945. CD included.
Leiden: KITLV Press, 2007
door Henk Mak van Dijk, met een bijdrage van Frans Schreuder.

Introduction

Voorwoord en verantwoording
Dit boek gaat over de onbekende geschiedenis van Indische componisten en Indische composities. In 1928 al uitte componist Constant van de Wall de klacht dat deze door de muziekgeschiedschrijving niet werden opgemerkt of domweg werden overgeslagen. Eigenlijk is dit nog steeds het geval en blijkt de Indische klassieke muziek, opgevat als een menging van westerse en Indonesische muziekvormen, in de vergetelheid geraakt.
Na enkele concerten met Indische muziek die ik in 2003 gaf in opdracht van het Indisch Huis raakte ik geboeid door de materie en besloot ik in samenwerking met het Nederlands Muziek Instituut (NMI) in Den Haag te gaan zoeken naar Indische sporen in hun collectie en erover te gaan schrijven. In de archieven van het instituut betreffende de componisten bleken talloze gegevens te liggen uit deze verzonken Indische muziekwereld. Ik heb er vele uren gezeten in opwinding over nieuwe ontdekkingen: handgeschreven brieven, oude krantenartikelen, muziekhandschriften, fraaie bladmuziek en vol toewijding gemaakte fotoalbums en plakboeken. Enkele ‘schatten’ die ik hier wil noemen zijn het unieke Indische muziekdrama Attima en de Maleische liederen van Constant van de Wall, de pantuns en andere op gamelan geïnspireerde stukken van Paul Seelig, zijn brieven geschreven vanuit Bandoeng naar Den Haag, de ongepubliceerde memoires van componiste Linda Bandara en haar samenwerking met Walter Spies aan het hof van de Pakoe Alam in Djokjakarta, een intieme reeks brieven en fraaie liedcycli van Bernhard van den Sigtenhorst Meyer, de evocatieve Javasuite van Dirk Fock en de Wijzangen op gedichten van Tagore van de jong gestorven Frans Wiemans.
Het aantal archiefdozen per componist verschilde helaas aanzienlijk. De in dit boek gepresenteerde biografische schetsen vertonen daarom zeker hiaten. Zo waren er bijvoorbeeld over Constant van de Wall twaalf dozen beschikbaar, maar over Linda Bandara vijf en over Paul Seelig slechts één. Van Fred Belloni en Frans Wiemans was helemaal geen archief en/of biografisch materiaal aanwezig. Gesprekken met nazaten, materiaal uit hun privé-collectie, berichten uit de Nederlandse en Indische pers, literatuur uit bibliotheken en het raadplegen van andere archieven in Nederland en in Indonesië waren daarom een noodzakelijke en welkome aanvulling op het archiefmateriaal. Een fascinerend werk was het aanvullend onderzoek in de pers, een onuitputtelijke bron van informatie. Soms alleen met een vage datum of jaartal in de hand draaide ik op een monitor honderden pagina’s op microfiche door op zoek naar bruikbare informatie. Het toeval hielp soms een handje. Op jacht naar Seelig viel mijn oog bijvoorbeeld opeens op een bericht over Belloni… In de archieven werden soms krantenartikelen aangetroffen die uitgeknipt waren, maar niet van een datum voorzien. De naam van de krant bleek dan wel te achterhalen, maar de datum helaas niet. Van heel veel tijdrovend speurwerk is in deze gevallen afgezien.
Hoewel er veel materiaal beschikbaar was over Constant van de Wall ontbrak helaas elke correspondentie. Ook de collectie van kleinzoon Roland van de Wall, geschonken aan het NMI, bevatte geen enkele brief. Een kleine troost waren de twee brieven die Constant van de Wall op het einde van zijn leven schreef aan zijn broer Hans, bewaard in de archieven van het KITLV.
In het geval van Seelig gingen na zijn internering tijdens de Japanse bezetting van Indië zijn manuscripten, documentatie en zelfs een complete Indische muziekgeschiedenis verloren. Aanvullende informatie uit Nederlandse en Indische kranten was derhalve noodzakelijk, en door geduldig speuren kwamen waardevolle zaken over zijn leven en werk aan het licht. In de Indische pers bijvoorbeeld, met name in de Preangerbode, Java-Bode en het Bataviaasch Nieuwsblad kwam ik recensies tegen van een aantal bijzondere concerten met werk van Seelig. Een toevallige ontmoeting met de Amerikaanse etnomusicoloog Henry Spiller, die in Den Haag was voor onderzoek naar de relatie tussen de fameuze Canadeze zangeres Eva Gauthier en Paul Seelig, leidde tot waardevolle informatie over de concerttournees die dit duo in de jaren tien in de Oost gaf. Het beeld van Seelig als uitvoerend musicus werd hierdoor veel scherper.
Het archief van Linda Bandara bestaat voornamelijk uit manuscripten van haar muziek, persoonlijke aantekeningen en artikelen in kranten. Foto’s en brieven ontbreken en over haar leven bestaat slechts één bron: haar memoires Anak Djawa, een indrukwekkende maar soms opmerkelijk ongedetailleerd geschreven levensgeschiedenis. Door het gebrek aan andere biografische gegevens werd Anak Djawa de basis voor het hier geschreven portret. Na het lezen ervan kon ik niet anders dan een bezoek brengen aan haar geboorteplek, de nog altijd bestaande hooggelegen koffieonderneming Bandarrejo in het Semarangse. Toen ik eenmaal bij de ruïne stond van haar geboortehuis en van het weidse uitzicht genoot, begreep ik hoe verliefd zij kon worden op de blauwe bergen van Java. Een speurtocht door allerlei stoffige opslagruimten van de bibliotheek van de Paku Alam in Yogyakarta leverde opeens een prachtige foto van Linda op, uit Wenen, genomen een half jaar voor het grote succes dat haar ten deel viel bij de uitvoering van haar orkestwerk Ländliche Stimmungsbilder. Gezien het ontbreken van welk fotomateriaal dan ook van haar een unicum.
Ook van Sigtenhorst Meyer was weinig persoonlijks uit zijn leven te vinden. Gelukkig gaven een tiental door hemzelf geschreven bladzijden over zijn jeugd, bedoeld als begin van een autobiografie, samen met een intieme correspondentie tussen Sigtenhorst en zijn levenspartner Rient van Santen ná hun concerten op Java in 1923, enig inzicht in zijn psyche.
Naast de hoofdstukken met uitgebreide componistenportretten is er een hoofdstuk opgenomen met bescheiden biografische schetsen van componisten die op incidentele basis Indisch werk schreven. Ook hier was minder materiaal aanwezig dan gedacht. Het bleek daarom lang niet eenvoudig om een lijn in een levenschets aan te brengen, bijvoorbeeld bij het leven van Belloni. Zijn levensverhaal leunt, vanwege het ontbreken van documentatie, slechts op een paar artikelen over hem, waaronder een van zijn zoon Claude Belloni. Het lezen van het orgaan van het Indo Europees Verbond, Onze Stem, maakte de populariteit van Belloni bij Indo-Europeanen veel begrijpelijker. In dit tijdschrift komt Belloni naar voren als een trouwe IEV’er die belangeloos meewerkte aan allerlei feesten en activiteiten die door de bond werden georganiseerd. Zijn I.E.V.-Marsch was dan steevast het openingsnummer. Zo rees het beeld van een componist die politiek en muziek met elkaar verbond. Een ander voorbeeld is de kleine biografische schets over Frans Wiemans. Deze kon alleen geconstrueerd worden uit een paar artikelen over hem in het tijdschrift Oedaya en uit enkele krantenartikelen.
Dankbaar heb ik gebruik gemaakt van informatie die ik mocht ontvangen van enkele nazaten: dochter Désiree Belloni, zoon Egbert Kunst, dochter Clara en zoon Paul Seelig jr., kleinzoon Peter Paul Seelig, zoon Kees Smit-Sibinga, kleinzoon Roland van de Wall, componist Otto Ketting, de kleinzoon van Otto Knaap, en Joop Anten, familie van Nico Gerharz. Hoewel Linda Bandara een kleindochter heeft, was zij niet op te sporen. Ook familie van Frans Wiemans of van Sigtenhorst was niet te vinden.
Clara had allerlei herinneringen uit haar jeugd in Bandung opgeschreven en beschikte over bladmuziek, brieven en oude foto’s. Paul Seelig jr. stuurde een paar foto’s op van zichzelf met zijn vader in de pianozaak in Bandoeng. Peter Paul verzamelde zélf informatie over zijn grootvader. Verrassend was zijn theorie over de afkomst van Paul Seelig: diens vader Johan zou eigenlijk een Javaanse prins zijn die voldoende fortuin had vergaard om zijn kinderen een dure opleiding in Duitsland te kunnen laten volgen. Hij meende de naam van deze prinsenvader onder andere te vinden in het voorwoord van de Gending Djawi van Seelig waarin de Solose prins Wreksodiningrat door Seelig wordt aangesproken met Bapak (vader). Met een Javaanse vader zou ook Seeligs Indische uiterlijk meteen verklaard zijn, aldus Peter Paul. Het bewijs lijkt niet erg steekhoudend: in Indonesië wordt immers elke volwassen man met Pak of Bapak aangesproken.
Roland had op zolder een prachtige collectie memorabilia bewaard over zijn grootvader en grootmoeder, waaronder unieke grammofoonplaatopnamen uit 1926 met liederen uitgevoerd door het echtpaar zelf. Desiree Belloni, die na de Tweede Wereldoorlog als zangeres vaak met haar vader optrad, schonk het NMI genereus wat zij nog in bezit had van haar vader: manuscripten, platen en plakboeken. Kees Smit Sibinga is zeer betrokken bij leven en werk van zijn vader Theo; hij stelde een zorgvuldig bewaard en gaaf gebleven fotoalbum ter beschikking aan het NMI, waaruit een paar unieke portretten van de componist in dit boek zijn opgenomen.
De schrijfster Hella Haasse was zo vriendelijk enige bladzijden uit te lenen van het artiestenalbum van haar moeder Käthe, de concertpianiste die Seeligs Pianoconcert in Batavia en Bandoeng uitvoerde. Twee prachtige foto’s, één van Käthe Haasse en één van Paul Seelig, voorzien van een dankwoord aan haar, zijn hier opgenomen. Otto Ketting stelde eveneens een stel bijzondere foto’s ter beschikking aan mij, van zijn grootvader Otto Knaap, gemaakt in Indië en in Nederland. Indiëverzamelaar Joop Anten heeft een uitgebreid archief bijgehouden over dirigent en componist Gerharz, familie van zijn vrouw. Het was de basis voor het verhaal over Gerharz.
De oude generatie van Indiëgangers en Indonesiërs is overigens snel aan het verdwijnen. In twee gevallen bleek dat jammer: een voorgenomen ontmoeting met de zoon van Constant van de Wall, Constant jr., stelde ik uit en kon niet meer plaatsvinden vanwege zijn overlijden. Ook de Soenan van Soerakarta, Paku Buwono XII, overleed voordat ik een afspraak met hem kon maken.
Deze studie concentreert zich op de periode 1898-1945, zowel in Nederland als in Indië. In het jaar 1898 werd niet alleen de achttienjarige Wilhelmina tot koningin gekroond, maar werd ook de basis gelegd voor de Javaanse cultuur in Nederland door de komst van de eerste Javaanse studenten. Een aantal jaren daarvoor waren de eerste serieuze studies naar de gamelan verricht door professor J.P.N. Land en dr. I.Groneman. In Indië werden rond de eeuwwisseling de Indische componisten van het eerste uur actief: Paul Seelig en Linda Bandara. Constant van de Wall kreeg in die tijd in Nederland faam als componist van werken met een Indische signatuur en werd vanaf 1907 actief in het muziekleven van Soerabaja.
In 1945 overleden twee belangrijke Indische componisten: Seelig en Van de Wall. Bandara was al in 1929 uit Indië vertrokken en Bernhard van den Sigtenhorst Meyer sloot zijn oosters getinte componeerperiode af in 1923. Frans Wiemans overleed in 1935, Theo Smit Sibinga verbleef tot 1946 in Indië en Hector Marinus stierf in 1953.
In de componistenportretten is zoals gezegd veel uniek materiaal afkomstig uit het NMI bijeengebracht. In de hoofdstukken die ingaan op de context waarin onze Indische muziekgeschiedenis zich afspeelt en die gebaseerd zijn op louter literatuurstudie, is het bijna onmogelijk nog iets origineels toe te voegen aan de inmiddels grote hoeveelheid literatuur over Nederlands-Indië en de belangstelling voor exotiek in het algemeen bij westerse componisten. Veel inleidingen lijken verdacht veel op elkaar! In het eerste hoofdstuk heb ik me gebaseerd op standaardwerken met waardevolle en gedetailleerde verslaggeving over Indië. Daartoe behoren bijvoorbeeld In het land van de overheersers, Indonesiërs in Nederland van Harry A. Poeze, waarin uitvoerige informatie te vinden is over de Javaanse cultuur in Nederland; de doctoraalscriptie Daniël de Lange en de Gamelan van Jan Willem Terwen die verslag doet van zijn baanbrekend onderzoek naar de eerste gamelanorkesten in Nederland en de belangstelling daarvoor bij componist Daniël de Lange; de dissertatie De koloniale vertoning van Marieke Bloembergen die handelt over de wereldtentoonstellingen; de uitputtende beschrijving van muziek op het raakvlak van Occident en Oriënt van Peter Gradenwitz; Britten and the Far East van Mervyn Cooke; en de waarderingsgeschiedenis van de gamelan door Jaap Kunst. Deze publicaties en vele andere worden vermeld in de literatuurlijst.
Het tweede hoofdstuk ‘Van militaire kapel en hoge kunst’ is geschreven door Indië-kenner en insider Frans Schreuder die rijkelijk kon putten uit zijn over jaren opgebouwd archief. Hij schrijft over het algemene klassieke muziekleven in Indië en het naoorlogse Indonesië. Speciale aandacht heeft de receptie van de inheemse muziek bij de concerterende musici uit het buitenland.
Over de gamelan is eveneens rijkelijk gepubliceerd; in mijn beschrijving hiervan heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de publicaties van Jaap Kunst, Onno Mensink en Neil Sorell. Over Komedie Stamboel was het voortreffelijke boek van M.I. Cohen dé bron van informatie; het verhaal over de krontjong, waarover nog nauwelijks documentatie bestaat, is gebaseerd op artikelen van A. Th. Manusama, Bronia Kornhauser en Melanie Tangkau. Uit al deze bronnen heb ik dankbaar geput, alleen heb ik de informatie in een nieuw kader geplaatst.
Het is mogelijk de hoofdstukken uit het boek afzonderlijk te lezen. Daarom is soms gekozen voor een subtiele herhaling van informatie, bijvoorbeeld om de lijn van een levensverhaal te laten doorlopen. De context echter geeft meestal zo’n eigen kleur dat de lezer doublures nauwelijks zal opmerken.
In de lijsten van composities was uniformiteit nauwelijks mogelijk: soms ontbraken opusnummers, soms jaartallen, soms beiden. Daarom heeft iedere lijst zijn eigen unieke opmaak. Soms wordt verwezen naar de cd die achterin het boek te vinden is, met de aanduiding cd, of naar de cd Angin timur; Indische klassieke liederen die op het Nederlands Muziek Instituut te verkrijgen is (www.nederlandsmuziekinstituut.nl), met de aanduiding cd NMI. Beide cd’s geven hopelijk enige indruk van het vaak originele werk dat de Indische componisten schreven. Behoudens enkele krontjongstukken ontbreekt orkestmuziek, de nadruk valt op repertoire voor zang en piano of piano solo. Er zijn wel unieke historische opnamen op te beluisteren, onder meer van Jaap Kunst die vertelt over de gamelan en van het echtpaar Van de Wall.

Aan dit boek heb ik heel graag gewerkt. Indië en muziek, het zijn beide prachtige thema’s. Mijn interesse ervoor lijkt nu als een rode draad door mijn leven te lopen: van kinds af aan geboeid door (familie)verhalen over het verre en mysterieuze Nederlands-Indië, later door de Indische literatuur, vervolgens een studie in de culturele antropologie en mijn werk als pianist in Yogyakarta op Java. Andere persoonlijke omstandigheden, zoals een hechte muzikale samenwerking met zangeres Nora Tours in Den Haag (te vergelijken met de muzikale band tussen Constant en Maria van de Wall), een concertzaal aan huis (gelijkend op de zaal van Sigtenhorst en Van Santen in de Prins Mauritslaan), vrienden in Indonesië, een eigen huis in Yogyakarta en kennis van bahasa indonesia versterkten mijn enthousiasme voor dit project. Mijn opleiding als pianist aan het conservatorium van Den Haag had daarbij als voordeel dat ik tal van Indische composities zélf kon spelen, alleen aan de piano of in samenwerking met vriendin en zangeres Renate Arends.
Hopelijk is het zichtbaar maken van deze Indische muziekgeschiedenis waardevol voor de Indische gemeenschap zelf. Dit overzicht geeft immers zicht op voor hen onbekend gebleven cultureel erfgoed. Al in 1955 gaf voorman Tjalie Robinson aan dat hij graag werken van Van de Wall wilde laten uitvoeren, omdat deze componist zoveel betekend had voor de Indische gemeenschap. Hoewel er sinds die tijd sporadisch artikelen in Indische tijdschriften verschenen zijn over onder meer Seelig en Van de Wall, is er geen sprake geweest van een systematisch onderzoek naar leven en werk van Indische componisten.
Ook de praktische resultaten van deze studie zijn van belang, zoals de uitgave van bladmuziek met Indische composities en de productie van cd’s met zorgvuldig uitgekozen Indische klassieke muziek, zoals de in februari 2006 uitgekomen cd Angin timur; Indische klassieke liederen en de cd Indische klassieke pianomuziek die gepland staat voor 2008. Concerten die plaats vonden tijdens de Indische Zomer in Den Haag in 2005 (onder meer in het Gemeentemuseum en Oud-Eik en Duinen) en in 2007 op de Pasar Malam Besar en het Haagse Festival Classique in Hotel des Indes werden met belangstelling ontvangen door een Indisch publiek, dat de gespeelde werken ervoer als origineel en verrassend.
Buiten de Indische kring blijkt ook belangstelling voor dit onderwerp te bestaan, niet alleen bij naaste familieleden van componisten en hun ‘netwerken’, maar ook bij wetenschappers en musici in binnen- en buitenland. Niet in de laatste plaats hoop ik belangstelling van Indonesische zijde te wekken: weet men af van het bestaan van deze componisten van wie sommigen vroeger zo intensief hebben samengewerkt met gamelanspelers en hofmusici, en die de Javaanse gamelanmuziek bewonderden en verwerken in hun eigen muziek? Is deze geschiedenis juist ook niet deel van de Indonesische muziekgeschiedenis? Commentaar op deze studie vanuit Indonesisch perspectief is uiterst welkom. Verheugend in dit verband is de uitvoering geweest van een aantal Indische composities in een aantal grote steden van Java in de zomer van 2007 door de uit Jakarta afkomstige zangeres Bernadeta Astari. Het repertoire werd door een Indonesisch publiek zeer gewaardeerd.
Rest mij allen te danken die mij geholpen hebben bij het schrijven van dit boek. In de eerste plaats de diverse fondsen zonder wie dit werk niet had kunnen ontstaan: het Prins Bernhard Cultuurfonds, Fonds 1818, de Gravin van Bylandt Stichting en de Mondriaan Stichting. Dan natuurlijk het Nederlands Muziek Instituut waarmee ik zo langdurig heb samengewerkt en dat mij zo vaak heeft willen ontvangen in zijn catacomben. Frits Zwart, directeur van het NMI, die het onderzoek steeds zeer ter harte ging, speelde een centrale rol in het continueren van dit project, en gaf mij over een lange periode goede adviezen. NMI medewerkers stonden vaak voor mij klaar onder wie André Wagner en geluidstechnicus Evert de Cock. Ook ben ik zeer erkentelijk Harry A. Poeze, directeur van de KITLV uitgeverij, die meteen belangstelling had voor een dergelijk ‘boek over muziek’.
Verder wil ik danken mijn immer meelevende lieve moeder Maria Elisabeth van Dijk-Mak aan wie ik dit boek opdraag, Frans Schreuder en Esther Wils, initiatiefnemers van het eerste uur, Ibu Yanto van het Sono Budoyo museum in Yogyakarta, mijn Yogyase vriend Prio J. Sungkowo, Frans Schreuder voor zijn bijdrage over het klassieke muziekleven in Indië, de nazaten Joop Anten, Desiree Krauss-Belloni, Hella Haasse, Otto Ketting, Clara Seelig en haar man Erik Ruijs, Kees Smit Sibinga en Roland van de Wall, de Amerikaanse etnomusicoloog Henry Spiller, betrokken meelezers Jeannette Biesbroeck, Simon Burgers, Esther Wils, Joss Wibisono en Frits Zwart, redacteur Emanuel Overbeeke, Judi Godvliet die mijn computer steeds up-to-date hield, zangeres Renate Arends voor haar bijdrage aan de cd in het boek, mijn nicht Lisa Over voor haar hulp en alle anderen die op enige wijze hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit boek.

511

Dutch review on http://www.opusklassiek.nl

Boeken over componisten

© Kees de Leeuw, januari 2009

Henk Mak van Dijk; met een bijdrage van Frans Schreuder:
De oostenwind waait naar het westen: Indische componisten, Indische composities,
1898-1945
. CD included
Leiden : KITLV Uitgeverij; in samenwerking met Nederlands Muziek Instituut ISBN 978-90-6718-299-7

________________________________________
De oostenwind waait naar het westen, …nog steeds, want onze voormalige kolonie Nederlands-Indië staat nog altijd sterk in de belangstelling. Maar nog lang niet alles is onderzocht. Toen ik zelf enkele jaren geleden onderzoek deed voor mijn boekje Goena-goena en slinkse wegen : over de Nederlands-Indische/Indonesische misdaadroman werd ik geconfronteerd met het verschijnsel krontjongmuziek. Maar het bleek niet eens zo heel makkelijk om hier wat uitgebreidere informatie over te vinden. Wat dat betreft voorziet De oostenwind waait naar het Westen in een grote behoefte en niet alleen vanwege deze muziek. Want over de muziekgeschiedenis van vooral Nederlandse componisten en musici in Indië was nog niet zoveel geschreven, althans zeker niet in een overzichtswerk, zoals dit boek is.
Eerlijk gezegd, het echte overzichtswerk over krontjongmuziek moet nog geschreven worden, zoals in dit boek ook vermeld wordt. Bovendien beschouwden de meeste westerse liefhebbers van de gamelan de krontjongmuziek als minderwaardig, volks en niet van belang voor ‘serieuze’ muziek. Maar in het derde hoofdstuk van dit boek komt het wel uitgebreid aan bod, naast vooral de gamelan. Want het is dit instrument dat de aandacht van sommige klassieke componisten, zoals Debussy, trok. Of zelfs als grote inspiratiebron werkte en waar echte liefhebbers zich een groot deel van hun leven mee bezig hielden. Te denken valt met name aan Jaap Kunst, Johann Sebastian Brandts Buys, Walter Spies en Colin McPhee. Zij schreven over Indische (d.w.z. vooral Javaanse) muziek, en probeerden de muziek voor gamelan in een notenschrift vast te leggen. Deze vier heren komen uiteraard uitgebreid ter sprake in dit boekwerk. Maar niet iedereen kon de gamelan erg waarderen. Eigenlijk begon de westerse appreciatie en het onderzoek ernaar pas in de 20e eeuw. Maar de belangstelling voor de gamelan gold niet iedereen en zelfs de meeste liefhebbers vonden het beneden hun waardigheid om het instrument te leren bespelen.
Wat wel breder gedragen werd was de belangstelling voor de ‘exotische’, met name oriëntaalse muziek. Hieraan is het eerste hoofdstuk gewijd. Het begrip oriëntaals moet overigens breed worden opgevat, van Spanje via Egypte en Rusland en Indië naar China enz. Om enkele voorbeelden te noemen, pionier Félicien David met o.a. Le désert voor orkest en de pianobundel Les brises d’Orient, Verdi (Aida), Gounod (La reine de Saba), Debussy (Pagodes), Saint-Saëns (Orient et occident) en Bártok (Island of Bali uit Mikrokosmos).
Het tweede hoofdstuk bevat de enige bijdrage van musicus en Indiëkenner Frans Schreuder over de westerse klassieke muziek in Indië. Het gaat dan vooral over optredens van musici uit het westen. Het waren niet de geringste van naam. Enkele namen zijn Benjamin Britten, Walter Gieseking, Julius Kätchen, Henryk Szering, Jascha Heifetz en Gregor Piatigorsky. Het waren voor de musici door hitte en andere ongemakken vaak zeer inspannende tournees, maar de muziekminnende Europeaan kon wel aan zijn trekken komen. Want het niveau van de locale musici was door gebrek aan opleiding en geld meestal niet erg hoog.
De overige hoofdstukken gaan over aan Nederland gelieerde componisten die serieus geprobeerd hebben de Indische muziek te verweven met de westerse. Vier van hen worden uitgebreid besproken, Constant van de Wall, Paul Seelig, Linda Bandara en Bernhard van den Sigtenhorst Meyer. Het zijn voor een deel wat treurige verhalen over ziektes, langdurige scheidingen van familie en vrienden en uiteindelijk oorlogsellende, waarin ook veel partituren verloren zijn. Maar het zijn tegelijkertijd verhalen van gewetensvolle mensen met hart voor de Indische muziek en vaak ook levensbeschouwing, met contacten aan Indische vorstenhoven en succesvolle optredens tot in Wenen, Frankrijk en Amerika.
Het boek is mooi uitgevoerd met veel foto’s, in sepiatint, naast twee kleurkaternen. Behalve het tweede hoofdstuk schreef Indiëkenner en pianist Henk Mak van Dijk het zeer informatieve boek.
Vraag is natuurlijk hoe de composities van de besproken musici klinken. Daar is deels in voorzien, want er is een cd bijgevoegd, met historische opnames o.a. van een krontjongorkest en Constant van de Wall. Voor de hedendaagse opnames tekenden Henk Mak van Dijk, vaak samen met sopraan Renate Arends. Een zeer boeiende cd, maar er is behoefte aan meer. Het duo Mak van Dijk-Arends nam al eerder een cd met Indische klassieke liederen op. In het Festival Classique in Den Haag was er ook aandacht voor de Indische muziek. Hopelijk volgen meer initiatieven, want om te besluiten met de slotzin uit het boek: “Het wordt tijd dat de Indische klassieke muziek haar terechte plaats in de Nederlandse muziekgeschiedenis inneemt.”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s