Saidjah, elegie, for cello or violon and piano, 1860, by Richard Hol, the first classical composition with a relation to Nusantara

Saidjah

Henk Mak van Dijk

Hol, Saïdjah en Multatuli, 2011 (uit: Wajang Foxtrot, Schiedam; Scriptum, 2011)

Richard Hol (1825-1904) was destijds een zeer vooraanstaande componist, organist en dirigent in het Nederlands muziekleven; ten tijde van het schrijven van zijn elegie Saïdjah (1860) was hij dirigent van de Maatschappij tot Bevordering van de Toonkunst in Amsterdam. Het jaar daarvoor was de Max Havelaar van Multatuli (in deze eeuw uitgeroepen tot het belangrijkste letterkundig werk aller tijden) uitgekomen, in enkele weken geschreven op een zolderkamertje in Brussel, en had een golf van beschouwingen en reacties in Nederland tot gevolg gehad. Menigeen dweepte met deze meeslepende roman over koloniale misstanden op Java en over het armzalig lot van de Javaanse boer.

Hols compositie dateert uit eind 1860; in een advertentie uit het jaar daarna worden zowel een versie voor piano solo, als voor cello of viool met pianobegeleiding aangeprezen. Hol maakte daarna nog een arrangement voor klarinet en piano. De in romantisch idioom geschreven klaagzang kreeg zijn inspiratie uit de Max Havelaar, waarin de tragische liefdesgeschiedenis tussen de Javaanse jongen Saïdjah en zijn liefje Adinda wordt beschreven:

Rond zijn vijftiende vertrekt Saïdjah uit zijn dorp Badoer om werk te zoeken in de grote stad Batavia, maar belooft Adinda na drie jaar hard werken terug te komen en met haar te trouwen. Eenmaal op weg is het hem zwaar te moede, en dan zingt hij het lied Ik weet niet waar ik sterven zal. Hierin stelt hij zich allerlei mogelijke manieren voor hoe hij dood zal gaan en dat hij het geweeklaag om zijn sterven niet zal kunnen horen. Alleen Adinda kan dat, en hij eindigt zijn lied dan ook zo:

‘Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessah, oostwaarts tegen den heuvel, waar het gras hoog is… dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong zal zachtkens voortschuiven langs het gras… Ik zal het hooren.’

Bij terugkomst in zijn geboortedorp zingt hij het andermaal, op het moment dat hij hoort dat zijn vader is overleden en dat Adinda naar Sumatra is vertrokken. Hij besluit haar daar te gaan zoeken en sluit zich aan bij een groep opstandelingen. In een pas door het Indische leger veroverd en in brand gestoken dorp ontdekt hij het afschuwelijk mishandelde lijk van Adinda. Saïdjah loopt dan enige soldaten tegemoet en drukt zich met geweld tegen hun bajonetten.

Het is moeilijk na te gaan of de elegie vaak is gespeeld. De première vond hoogstwaarschijnlijk in november 1860 plaats in het Amsterdamse Odéon theater. Voorts maakt de pers melding van andere uitvoeringen in Amsterdam, bijvoorbeeld van ‘een onzer bekwaamste violoncelvirtuozen’: ‘De gloed, de fijne smaak die in dit werk heerschen, maakten toenmaals diepen indruk. De melodie is ongezocht en zeer rijk, terwijl de vele legato-passages voor de violoncel een goed effect maken.’

De pers maakte ook melding van een soiree musicale waar ene cellist E. Appij het stuk uitvoerde, in een programma met pianotrio’s van Beethoven, Mozart en Schumann. ‘Deze talentvolle virtuoos wist aan zijn instrument een goed gevulden en zangrijken toon te ontlokken, terwijl zijne opvatting bijzonder mag worden geroemd.’

Multatuli zelf wist wellicht gedaan te krijgen dat de elegie werd gespeeld als entr’acte bij het Duitse toneelstuk Die Schule des Lebens, opgevoerd in februari 1862 in het Grand Theatre in Amsterdam. Hij was bij de première geweest en was zeer onder de indruk geraakt van het oprechte acteren van de hoofdrolspeelster. Hij betreurde het echter dat er zo weinig toeschouwers waren gekomen. Om meer publiek voor de vervolgvoorstellingen te krijgen, wendde hij zijn invloed aan door het schrijven van een lovend artikel, geplaatst in twee toonaangevende kranten. Dat had succes want de zaal kwam tjokvol. Zou hij toen tevens het voorstel hebben gedaan de elegie op het programma te zetten? In een recensie valt te lezen:

‘Tusschen het tweede en derde bedrijf van Die Schule des Lebens, voerde het orkest van den heer van Lier, onder directie van zijn kapelmeester, de bekende elegie Saïdjah, van onzen stadgenoot Richard Hol. (…) Deze elegie, door den componist voor piano geschreven, was door den heer Kral in betrekkelijk zeer korten tijd voor orkest bewerkt. De meesterlijke uitvoering daarvan maakte zigtbaar een diepen indruk op de aanwezigen.’

De korte tijd van de orkestratie maakt nieuwsgierig, want een paar dagen daarvoor meldde een advertentie over het toneelstuk dat Saïdjah voor piano solo gespeeld zou worden door de heer L. Klein.

De toonzetting van een verhaal uit de Max Havelaar bleef voorlopig een unicum. Er zijn slechts een paar componisten geweest die zich ook hebben laten inspireren door Multatuli. In 2010 verscheen de cd Ik zal het hooren;Max Havelaar getoonzet, met een overzicht van verschillende stukken, waaronder werk van Vlaamse toondichters die elk een strofe van het Saïdjah lied bewerkten voor tenor, cello en piano. De elegie van Richard Hol wordt hierop gespeeld door de cellist Luc Tooten en de pianist Stéphane De May. Het is tevens te horen als opening van de cd in mijn boek Wajang Foxtrot, Indie in klank en beeld.

Rest nog de vraag: zou Richard Hol, gezien zijn talloze nationalistische composities, Multatuli’s standpunt ten aanzien van koloniale misstanden onderschreven hebben.

Multatuli zelf geeft als aanvulling op zijn Saïdjah verhaal:

‘En aan sommigen die misschien beweren, dat ik Saidjah en zijn liefde heb geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen. Slechts zeer weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neer te buigen tot de waarneming der aandoeningen van de koffie en suikerwerktuigen die men “inlanders” noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zulke bedenkingen aanvoert als bewijs tegen de hoofdstrekking van mijn boek, geeft mij een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, “het kwaad dat gij bestrijdt, bestaat niet, of niet in zoo’n hooge maat, omdat de inlander niet is als uw Saidjah… er ligt in de mishandeling der Javanen geen zoo groot kwaad, als daarin liggen zou wanneer ge uwen Saidjah juister geteekend hadt.’. ‘De Soendanees zingt zulke liederen niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus…’. ‘Neen, Minister van Koloniën, neen Gouverneurs-generaal in ruste, niet dàt hebt gij te bewijzen! Ge hebt te bewijzen, dat de bevolking niet mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele Saidjah onder de bevolking zijn. Of zoudt ge durven beweren, buffels te mogen stelen van lieden die niet beminnen, die geen droefgeestige liedjes zingen, die niet sentimenteel zijn.’

Zou Hols elegie inderdaad bedoeld zijn als verklanking zijn van de ‘aandoeningen’ van de ‘inlanders’? Dat zou betekenen dat Saïdjah de eerste Nederlandse klassieke compositie is waarin de inlander een stem heeft gekregen.

Image | This entry was posted in Uncategorized and tagged , . Bookmark the permalink.

One Response to Saidjah, elegie, for cello or violon and piano, 1860, by Richard Hol, the first classical composition with a relation to Nusantara

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s